FLEURIG

 

 

Download dit verhaal als PDF-bestand door op de afbeelding te klikken
Zo kun je het lezen waar en wanneer je wilt, met of zonder WiFi.
Of lees hieronder meteen lekker verder

 


 

Proloog

 

Roos slaakt een intense kreet wanneer ze net op tijd een tegenligger ontwijkt, die in het donker met felle koplampen op haar af rijdt. Door het indommelen bevond ze zich op de linker weghelft. Ervan bijkomen moet ze.
‘Kom op, Roos! Even wakker blijven…’ Haar autobanden scheuren met volle snelheid over de wegen. Een open raam. Muziek op standje keihard. Met fijngeknepen ogen tuurt Roos over het stuur. ‘Je bent er bijna,’ spreekt ze zichzelf toe. Haar rossige haren wapperen in de koude herfstwind. Wat heeft ze zichzelf kapotgewerkt de afgelopen weken. Spreken we misschien van overspannenheid? Het zal best. Ze trilt in ieder geval van vermoeidheid. Het beïnvloedt haar rijgedrag. Haar theorie over ‘’hoe harder je rijdt, hoe sneller je thuis bent’’ kan misschien wel kloppen, verstandig is het alleen niet. Ze houdt zich nog net aan het snelheidslimiet. Dat wel. Haar slaperigheid maakt het alleen zeer spannend. La Vie En Rose, van Edith Piaf staat op de speakers. Luidkeels zingt ze mee. ‘Ieeel et antre dan mon currrr, uune part de bonhurrr. Don sje konnee la koooze.’ Een zeer slechte uitspraak. Nou en? Ze moet toch wat.
Een halve minuut later schijnt de zon ineens, maar volgens Roos is het nog steeds koud. Gek, want net was het nog pikkedonker. In de verte neemt ze iets vreemds waar. Een strand? Sinds wanneer is daar een strand? Die heeft ze nooit eerder gezien. De zon kleurt, zo snel als dat het verscheen, ineens paars en begint te smelten. De druppels die van de gekke zon afkomen mengen zich met de zee, die ook paars wordt. Alle kinderen op dat strand stoppen met spelen. Ze rennen weg voor een vloedgolf die eraan komt.
BOEM! Een rake klap. Auto total loss. Een bebloede in slaap gevallen Roos. Bewusteloos…
Voorbijgangers sprinten op haar af. Eén van de twee mannen belt zonder enig twijfel het noodnummer en de andere draagt haar voorzichtig, maar met moeite, uit de auto – haar tweedehandse schuurbak die met de voorkant vol tegen een boom opgeknald is. De man weet niet zeker of dat wel een slimme zet van hem was geweest. Misschien had hij haar in de auto moeten laten, vanwege eventuele botbreuken. Met zijn diepe mannenstem probeert hij haar aan de praat te krijgen.
‘Mevrouw, kunt u mij horen? Mevrouw…?’ Geen reactie, geen geluid. Alleen van de Franse Piaf, die nog steeds haar liefdeslied zingt en door de hele buurt galmt. Wat een wonder. Na zo’n crash? De lieflijke sfeer van de muziek klopt niet met wat er nu gebeurt. De meneer die Roos vasthoudt krijgt er rillingen van. Hij voelt zich koud en warm, koortsachtig. Had de radio misschien niet even willen ruilen met deze mevrouw, bedenkt hij in zichzelf? Moet dat ding er per se weer schadeloos uitkomen? Een stomme gedachte, vindt hij van zichzelf, al blijft hij erbij. De andere man hangt, ondanks de rust die hij heeft bewaard, trillend de telefoon op.
‘Ze zijn onderweg…’

 


 

Ze is er weer. Net zoals gisteren. En eergisteren. Al een hele week. Elke keer rond hetzelfde tijdstip. Wanneer de grote Berner Sennen hond haar ook ziet, begint hij te blaffen.
‘Ssst! Niet doen, Sen.’ Roos klemt haar handen om zijn snuit. ‘Straks jaag je haar weg.’ Hij gehoorzaamt, maar laat Roos wel bijna struikelen als hij weer stug verder loopt. ‘Senna, pas eens op.’ Ze moet duidelijk nog onderscheid kunnen maken tussen een hond die haar bewust dwarszit en eentje die slechts speels en opgewekt is. ‘’Een jonkie is ons Roosje nog, dat leert ze vanzelf wel,’’ zei haar moeder tegen Roos’ vader. Nu het hartje zomer is, heeft Roos genoeg tijd om haar dierenbroertje te leren kennen. Zijn zwarte vacht met bruin-witte vlekken glanzen in de stralende zon. Hij hijgt van de warmte. ‘Zit!’ Roos geeft hem een brokje en aait hem achter zijn oren. ‘Braaf,’ zegt ze als ze ziet dat hij luistert. Naast hem neemt ze plaats. Het droge gras prikkelt onder haar benen, het kietelt. Een beetje onaangenaam, maar een perfecte plek om dat meisje ongezien te observeren. Het mysterieuze meisje dat hier al dagenlang komt, alleen en zittend op een steiger terwijl ze een boek leest. Ze is inmiddels op de helft. Een week geleden was ze er net aan begonnen, en het is best een dik boek. Erg snel is ze! Roos voelt zich een beetje raar. Verander het woord observeren naar bespioneren en je hebt iets akeligs. Wie doet er nou zoiets? Maar ze is gewoon zo benieuwd. Hoe zou ze zijn? Wat is haar naam? Zou ze misschien een hoog stemmetje hebben? Zo ziet ze er wel uit, als iemand met een piepstem. Vandaag draagt ze een zwart jurkje met madeliefjes. Schattig, vindt Roos. Ze lijkt van haar leeftijd. Wie weet is zij ook wel tien jaar oud.
‘O, nee!’ Roos schrikt zich een hoedje wanneer ze ziet dat haar vierpotig broertje bij haar weg draaft. Hij had vast genoeg van stilzitten. ‘Senna, hierrr komen!’ Ze rent achter hem aan. Balend denkt ze aan het feit dat ze zijn riem om haar pols had moeten houden. Verschrikt slaat ze een hand voor haar mond als ze ziet dat hij over de brug heen snelt en op het meisje afrent. Het blonde meisje kijkt op van haar boek. Ze deinst achteruit. De grote hond snuffelt aan haar en loopt ongegeneerd over haar bakje met fruit heen. De helft valt eruit. Op het moment dat Roos bijna aan de overkant is, springt Senna met een enorme vaart het water in. Een golf aan vies slootwater spat over het meisje heen. ‘Uit het water, jij. Schiet op!’ Nog steeds niet doorhebbende dat hij gewoon wil spelen. Ze is teveel gefocust op het meisje dat het ook niet zo leuk lijkt te vinden. Het water druipt zodanig van haar lijfje dat het lijkt alsof ze met kleren aan heeft gezwommen. Als de wiedeweerga pakt ze haar natte spullen in en fietst weg, zo hard als ze kan. ‘Je vergeet je fruit!’ Roos houdt het bakje in de lucht, maar ze is al te ver weg. Senna klimt uit het water en schudt zichzelf droog. ‘Kijk nou wat je hebt gedaan!’ De hond is niet de enige die moet afkoelen. Roos zou daar ook aan toe moeten geven, gezien haar boze blik.

‘Eerst je crackers opeten.’
‘Maar mam, straks ben ik te laat.’ Roos slaat als een opstandig kind haar armen over elkaar heen.
‘Te laat voor wát precies, Rosalie.’ Als haar moeder haar volledige naam uitspreekt, betekent dat dat ze maar beter haar mond kan houden.
‘Nou, ik…’ Roos bedenkt zich. ‘Dat kan ik niet zeggen.’
‘Ja, doe vooral geheimzinnig. Eet je bord leeg.’ Roos weet dat ze niets te zeggen heeft, ze zwijgt maar. Straks mag ze helemaal niet weg. Vol afschuw kijkt ze naar het voedsel dat haar voorgeschoteld is. Door dit warme weer heeft ze nooit honger. Toch grijpen haar vingers ernaar en ze schrokt het naar binnen. Ze houdt zich aan haar eigen ‘’de-hoe-eerder-hoe-beter-theorie’’.
Senna loopt niet snel genoeg en blijft steeds te lang bij één plek snuffelen.
‘Kom, Sen!’ Hij heeft niet eens de kans om zijn behoefte te doen. De arme hond. Het hartje van Roos maakt een sprongetje als ze het mysterieuze meisje weer ziet zitten. Even was ze bang dat ze haar had afgeschrikt door gisteren. Correctie: dat Senna zich daar schuldig aan heeft gemaakt. Niet Roos. Vandaag is het haar missie om Senna koest te houden. Brokjes werken altijd. ‘En luisteren, ja? Goed zo.’ Ze werpt haar blik weer op het hoofdonderwerp van de zomervakantie. O-oh, denkt Roos, ze lijkt wel weg te gaan. De afgelopen dagen was het haar verlangen geweest om in contact te komen met haar, maar ze had de moed niet. Nooit is ze daar goed in geweest. Daarom heeft zo ook geen vrienden. Doordat ze dit meisje tot nu toe altijd in haar eentje heeft gezien, vindt Roos haar interessant. Omdat ze het beeld kent. Alsof ze naar een spiegel kijkt. Ergens ook wel pijnlijk. Senna voorziet ze nog van een extra brokje. Want dit is de tijd dat ze zichzelf schrap zet om haar aan te spreken, met als voornemen zich te verontschuldigen over wat er gisteren gebeurde.
Voor de zekerheid heeft ze Senna maar aangelijnd aan een paaltje, voordat hij weer allerlei capriolen uithaalt. Vol zenuwen daalt ze langzaam het trappetje af dat haar richting de steiger leidt. Roos tikt zachtjes met haar vinger op de blote schouder van het meisje. En… heeft direct door dat dat geen goeie zet was geweest. Ze schrikt en deinst achteruit.
‘O, ehm… ik… wilde je niet laten schrikken.’ Het meisje staat op en observeert Roos. Aan haar gezicht te zien, herkent ze haar. Afwachtend tuurt ze terug. ‘Nou… eh… ik wilde graag sorry zeggen voor gisteren. Omdat, nou, mijn hond die deed vervelend. En…’ Het meisje begint te giechelen. Hé, wacht. Roos houdt op met praten. Ze doet iets vreemds. Met haar ogen volgt ze wat het meisje met haar armen doet. Haar mond produceert een gek geluid en ze gebaart iets. Roos snapt het niet. Waarom doet ze zo gek? Het lijkt alsof ze iets wil vertellen, maar het komt er niet fatsoenlijk uit. Is er soms iets aan de hand met haar? Zoiets vreemds heeft ze nog nooit gezien. Ze wordt er ongemakkelijk van en fronst. Ja hoor, denkt Roos, ze houdt me gewoon voor de gek. Laat maar. Teleurgesteld draait ze zich om. In staat naar Senna terug te keren en naar huis te gaan. De kans krijgt ze alleen niet, want het meisje snelt als een speer langs haar heen en gaat voor het trappetje staan. Roos raakt gefrustreerd. ‘Wat wil je nou?’ Dit soort gekke praktijken zag ze totaal niet aankomen. Een heel ander beeld had ze van haar. De hoeveelheid irritatie die Roos voelt, staat gelijk aan de hoeveelheid sproeten die ze op haar gezicht draagt. Het meisje haalt vluchtig een boek uit haar tas en houdt het voor. Wat staat daar dan? De titel luidt: ‘’Doof je licht niet’’. Snel pakt ze een ander boek, omdat ze merkt dat Roos het nog steeds niet begrijpt. De volgende titel van het boek: ‘’Ben je doof, of zo?’’ Roos leest het hard op. Het meisje leest haar lippen en knikt. Het belletje begint te rinkelen. ‘O…’ Het dringt eindelijk tot haar door. ‘Je bent doof… en je hoort me nu dus helemaal niet?’ Het gezicht van Roos verandert langzaam in de kleur van haar wilde haren. Is het de warmte of is het schaamte? ‘Sorry, dat wist ik niet. Ik bedoel…’ Wacht. Dat hoort ze natuurlijk niet. Het meisje legt vluchtig de boeken op de steiger en pakt haar notitieboekje. En een pen. Met een roze pluim eraan. Ze gebaart dat Roos moet zitten en begint zelf iets te schrijven. Als ze klaar is, houdt ze haar het papiertje voor:

Roos begint te glunderen. Op het moment dat ze haar wil bedanken, beseft ze natuurlijk weer dat hoe hard ze het ook roept, zij het niet hoort. Met een vragende blik om toestemming, neemt ze voorzichtig het boekje van haar over. Het meisje reikt het aan en grinnikt als ze ziet dat Roos geconcentreerd iets terug schrijft, en met haar tong naar buiten. Zo geven ze elkaar steeds de beurt en er ontstaat een heel gesprek.

Madelief kijkt om zich heen. Opzoek naar die ene grote hond die ze gisteren zag. Haar ogen vinden hem. Senna zit braaf bovenop het grasdijkje, afwachtend, maar met een hijgende bek. Madelief wijst naar hem en kijkt wat zorgelijk.
‘O, oeps. Vergeten…’ Roos holt ernaartoe. ‘Sorry, Sen,’ zegt ze als ze aan het ritsje van haar donkerblauwe rugzak trekt. Het bakje van Senna en een grote fles water komt tevoorschijn. Die heeft ze mee voor als ze langer wegblijft. Vandaag is zo’n dag. Roos heeft het nog niet eens volledig gevuld en hij begint al gulzig te drinken. Wat een dorst. Lichtelijk voelt ze zich schuldig. ‘Het spijt me…’ Madelief komt erbij staan. Zo te zien heeft ze Senna vergeven, want ze aait hem achter zijn lange oren. Roos tuurt naar Madelief. Ze vraagt zich af hoe lang ze al doof is. Vanaf haar geboorte misschien? Dan weet ze niet eens hoe muziek klinkt. Vindt ze het niet moeilijk om zo te leven? Zoveel vragen heeft ze dat ze bijna staat te springen van nieuwsgierigheid. Het waterbakje gaat weer terug de tas in als er een lach uit de mond van Madelief galmt. Het is Senna, want hij geeft haar zomaar een lik over haar gezicht. Roos moet daar ook van grinniken. Madelief haalt Senna’s riem van het paaltje af. Haar andere arm verwikkelt ze met die van Roos en loopt doelgericht ergens heen. Maar waarnaartoe, vraagt Roos zich af? Ze doet zo geheimzinnig, vindt ze.
‘Wauw.’ Roos kijkt haar ogen uit over een veld vol met madeliefjes. Ze kent deze plek helemaal niet, en ze woont hier al zolang ze leeft. Wat is het hier prachtig! Er ontstaan vlindertjes in de buik van Roos, het kriebelt er enorm. Enthousiast haalt ze de riem van Senna’s hals, die in no time begint te rennen. De jonge meisjes geven elkaar een blik en rennen er speels en giechelend achteraan. Ze zijn vriendinnen. Met hun ogen hebben ze dat zojuist besloten, bevestigd… Samen laten ze zich vallen en rollen als twee gelukkige kinderen van de kleine heuveltjes af. Senna observeert de twee en snapt, gezien zijn wild en doorzoekend gedrag, niet zo goed wat er aan de hand is. Hij kent de altijd chagrijnige Roos niet op deze manier. Algauw merkt hij dat zijn zussenbaas gewoon plezier heeft. BLAF! Een klank van een blije hond. Hij stoeit vervolgens gezellig met hen mee.

Uitgeput liggen ze naast elkaar in het hoge gras. Roos kijkt naar Madelief die de lucht bestudeert. Terwijl ze dat beeld observeert, stelt ze zichzelf vragen in haar hoofd: Zou ze in woorden en zinnen denken? Kan ze überhaupt wel denken, en heeft ze net zoals ik dan een vaag stemmetje in haar hoofd? Het hart van Roos maakt een sprongetje als Madelief uit het niets omhoog komt, nadat ze op haar horloge heeft gekeken. Haar handen beginnen in het boekje te schrijven:

Roos glimlacht. Ze heeft er nu al zin in. Op het moment dat Madelief in staat is op te staan, grijpt Roos toch nog naar het boekje en schrijft er iets bij:

Madelief buigt voorover om te lezen wat er staat en begint te glunderen. Uit het niets geeft ze Roos een knuffel, maar Senna komt direct tussenbeide en blaft. Hij denkt dat ze elkaar wat aan doen. Beide moeten ze giechelen. Gekke hond, denkt Roos. Madelief pakt haar spullen in en vertrekt richting haar fiets die nog bij de steiger staat. In de verte draait ze zich om en zwaait nog eens na. Roos zwaait terug. ‘Tot morgen,’ zegt haar mond.

‘Mam! Moet je eens kijken. Ik kan doventaal!’
‘Doventaal?’
‘Ik bedoel gebarentaal. Kijk, zo!’ Roos doet wat met haar handen.
‘Leuk, hè? Dat heb ik geleerd van mijn vriendinnetje. Die is doof.’
‘O?’
‘En nu ga ik zeggen dat jij mijn mama bent.’ Roos doet een poging. ‘Nee, wacht.’ Er gaat een telefoon.
‘Met Violet. Hai, hallo. Nee, precies. Ja, ik zat er dus inderdaad al aan te denken om ehh…’ Mama staat op van de keukentafel en loopt zomaar weg zonder zich te excuseren. Nou zeg, denkt Roos. Ze gaat maar voor de spiegel staan en doet voor wat ze heeft geleerd. Op zich kan ze best wel veel, zoals zichzelf voorstellen. Vandaag heeft Madelief al haar tijd geschonken aan Roos om van haar de beste doventolk te maken die er bestaat. Zelfs heeft ze Roos een boek gegeven die volstaat met voorbeeldplaatjes over hoe je iets uitbeeldt. Voorlopig is ze hier nog wel zoet mee. In haar hart bedankt ze Madelief. Morgen zal ze nog meer leren, want dan hebben ze weer afgesproken. De zomervakantie is nog lang niet voorbij. Genoeg tijd om te oefenen dus. ‘’Vanaf mijn geboorte ben ik al doof,’’ heeft Madelief nog geschreven. ‘’Ik moet naar een speciale school met andere dove kindjes. Omdat ik niet kan horen ben ik in lezen en schrijven extra goed. Dat zei mijn juf. En in dansen ook. Vooral ballet.’’
‘Mam, wil je ook iets leren?’ vraagt Roos als ze terugkomt.
‘Leuk, hoor Roos, maar mama moet even iets belangrijks doen. Zie je al deze papieren?’ Haar hand wijst naar een stapeltje op de vensterbank. Roos knikt. ‘Die moet ik nu gaan oplossen.’ Mam geeft haar een aai over haar bol. ‘Sorry, lieverd.’ Roos haalt haar schouders op. Met het boek vertrekt ze vrolijk naar haar kamer. Daar gaat ze verder oefenen, ondertussen hopende dat de dag van morgen snel aanbreekt.

Roos staat al een half uur te wachten. Een beetje onrustig wordt ze ervan. Er ligt een steentje voor haar voeten. Die pakt ze op en werpt het in het water. Ongeduldig hurkt ze door haar benen. Met haar sproetenhoofdje steunend op haar handpalmen kijkt ze voor zich uit, niet doorhebbende dat iemand inmiddels de steiger opgekomen is. Roos slaakt een gil als twee kinderhandjes haar ogen omsluiten. Verschrikt draait ze zich om. Opgelucht grijpt ze naar haar borstkas als ze ziet dat het Madelief is.
‘Ik schrok me kapot.’ Ze slaat zichzelf voor haar hoofd. ‘Ik bedoel…’ Met haar handen beeldt ze uit wat ze zei. Madelief slaat lachend haar hand voor haar mond. Roos weet nog niet hoe ze moet uitbeelden om te vragen waar ze al die tijd bleef. De kans krijgt ze ook niet, want ze wordt al versierd met een bloemenketting bestaande uit, hoe kan het ook anders: madeliefjes. Zo eentje die ze zelf aan elkaar geregen heeft. Roos beeldt uit dat ze het mooi vindt en bedankt haar vriendelijk. Dat zijn basisgebaren die ze gisteren allemaal geoefend hebben. Madelief wenkt haar weer mee te komen. Haar wenkbrauwen gaan geheimzinnig op en neer. Aha. Roos weet wat dat betekent. Het madeliefjesveldje!
Een bakje met fruit komt tevoorschijn. Madelief houdt het voor de neus van Roos. Of je ook wil, vraagt de blik in haar ogen.
‘Lekker.’

Madelief knikt. Uit het niets staat ze op en begint te dansen. Ze maakt sierlijke sprongen en draait elegante rondjes. Haar jurkje zwiert ervan. Wat kan ze dat goed, denkt Roos. Zonder enig bedenktijd wordt ze al bij haar arm gegrepen door Madelief die haar meeneemt in het avontuur van de wals. Eerst stribbelt Roos een beetje tegen, maar Madelief is fysiek sterker dan dat ze eruit ziet, dus laat ze het maar gebeuren. Ze schatert het uit van het lachen. Haar spillebeentjes werken totaal niet mee, ze vallen bijna. Nooit meer zal ze vergeten dat Madelief haar vertelde dat ze de trilling van de muziek door haar lijf voelt. Dat is het bijzonderste wat ze ooit heeft mogen weten. Normaal ziet ze dat in films, maar nu staat ze oog in oog met iemand waarbij dat écht gebeurt. Roos bewondert haar. Het is iemand met gebreken, maar toch ook weer niet. Volgens Roos voegt ze juist iets toe.

Er drijven donkere wolken boven het grote bos. Het bos waar Roos en Madelief elkaars vriendschap hebben gevonden. Dit keer mag Senna weer mee. Enthousiast draaft hij naast zijn zus. Hij geniet van het feit weer een lange wandeling te mogen maken, dat is dagen geleden. Roos wacht inmiddels al drie kwartier bij de steiger. Ze vindt dat het nu wel vaak genoeg gebeurt, dat te laat komen. Nog heel even wacht ze af. Ondertussen komt Senna tegen haar aan liggen.
‘Ik weet dat je me niet kunt verstaan,’ begint Roos tegen haar hond, ‘maar jij en Madelief zijn mijn beste vrienden.’ Zoiets heeft ze nog nooit bevestigd, maar ze is ervan overtuigd. Senna legt zijn kopje in de schoot van Roos. Ze aait hem over zijn glanzende vacht. Sinds Roos met Madelief omgaat, voelt Senna dat Roos verzacht is, vooral naar hem toe. Na een extra kwartiertje wachten begint het te regenen. Madelief is er nog steeds niet. De twee hebben lang genoeg gewacht. Tijd om naar huis te gaan, voordat de regendruppels harder uit de hemel komen vallen.

‘Lieverd, wat is er met je?’ vraagt Roos’ moeder. ‘Je bent de laatste tijd zo stil.’ Ze haalt haar schouders op, terwijl ze eigenlijk wel weet waarom ze zo’n lang gezicht heeft. ‘Gaat het om het meisje waar je het altijd over hebt?’ Haar moeder heeft door dat ze al een tijdje niet buiten speelt. Roos kijkt nergens anders naar dan naar de vloer, totaal in zichzelf gekeerd. Ze frunnikt wat aan haar broek en knikt. Haar moeder wrijft liefdevol over haar rug. ‘Je ziet haar vast wel weer een keer.’ Roos is verbaasd over hoe haar moeder altijd de situatie weet te raden. Zoveel zegt ze toch niet?
Roos pakt het boek die ze van Madelief heeft gekregen. Normaal zou ze oefenen, maar nu heeft ze er geen zin in. Ze mist haar vriendinnetje teveel. Al bijna een week lang is ze niet komen opdagen. Elke dag nam Roos de moeite om te kijken of ze er was, maar ze heeft de moed opgegeven. Wat zal er toch met haar zijn? Naast dat Roos zich verdrietig voelt, maakt ze zich zorgen. Straks is er iets gebeurd. Wil ze misschien niet meer met me omgaan, vraagt ze zich af? Onrustig frommelt ze aan de bladzijden van het boek. Daardoor ontstaan de welbekende ‘’ezelsoren’’. Haar fronsende blik verklapt dat ze diep in de gedachten is verzonken. Wat als ze er ineens wél is? Dat idee vreet haar op vanbinnen. Ook al is die kans klein, toch besluit Roos naar het bos te gaan.

Senna blaft bij een bepaalde plek en loopt roekeloos heen en weer. Wat ziet hij daar dan? Haar hart slaat een momentje over als zij ook iets waarneemt: een doorzichtig jampotje met een rood dekseltje dat tot aan de helft in het zand rust. Als ze dichterbij komt, ziet ze dat er iets in zit. Een gescheurd papiertje uit de notitieboek van Madelief! Roos herkent de roze strepen. Nieuwsgierig, maar voorzichtig haalt ze het eruit. Aandachtig leest ze wat er staat geschreven.

Roos kijkt niet weg van de brief. Als ze incasseert wat er staat, moet het besef nog komen. Ze verlamt en verroert zich niet. De woorden in een mooi geschreven handschrift herleest ze een paar keer. Weg…? Waarom moet ze weg en waarheen? Gaat ze soms verhuizen? Waarom vertelt ze me niet meer, denkt ze? Wat als ze niet meer met me om mag gaan? Heb ik iets gedaan? Al die vragen, maar geen antwoord. Roos zal het misschien wel nooit weten. Dit is het laatste stukje contact tussen haar en Madelief. Dat doet haar hart pijn. De warmte die ze ooit voelde bij hun schriftelijke dialogen, verandert langzaam in kilte. De sproetenlippen van Roos beginnen te trillen. Er volgt een traan. Dit was het dan… Uit verdriet verfrommelt ze het papiertje en werpt het hardhandig uit haar zicht. Huilend laat ze zich zakken. Haar appelwangetjes en de grond waarop ze zit hebben iets gemeen: één en al nattigheid. Senna merkt dat Roos verdrietig is en wil haar tranen weg likken. Kwetsbaar slaat ze een arm om hem heen. Kon ik haar nog maar één keer een knuffel geven, zegt ze in zichzelf.

 


 

Epiloog:

‘Papa, kijk! Ze is wakker.’ De zevenjarige Fleur wringt zich los uit de armen van haar vader, Ruben, en glijdt enthousiast van zijn schoot. Hij doezelde een beetje weg, maar staat nu volledig op scherp. De ogen van Roos vinden die van haar man en dochtertje, die inmiddels aan haar bed staan. Haar gevoel zegt te willen glimlachen, als ze beseft wie het zijn, maar haar mondhoeken laten haar in de steek. De kracht daarvoor is ver te zoeken. De mond van Fleur ziet ze enthousiast op en neer bewegen. Roos weet dat ze van alles zegt, maar er komt geen geluid uit. Haar man zegt ook iets, maar wat dan? Hebben ze dit soms met elkaar afgesproken? Roos maakt zichzelf wijs dat ze nog goed wakker moet worden van haar diepe slaap, niet doorhebbende dat ze in coma lag. Nu ziet ze de kamer waarin ze zich bevindt. Witte muren, metalen karren, buizen, ingewikkelde apparaten. Wacht eens even, denkt ze. Is dit soms het ziekenhuis? Waarom ben ik hier, wat is er met me gebeurd? Nu ze doorheeft waar ze is voelt ze ineens hoe zwaar haar hoofd aanvoelt. En de wervels in haar rug lijken wel van elkaar losgeraakt te zijn. Zachtjes kreunt ze van de pijn. Roos weet dat ze dat doet, maar ze hoort zichzelf niet. O-oh… In een reflex produceert Roos nog een geluid om te controleren of het niet gewoon aan haar oren ligt. Als ze zichzelf opnieuw niet hoort, vreest ze van wel. Onmiddellijk heeft ze door wat dit betekent. Ze raakt ervan in paniek, waardoor dat overslaat op haar dochtertje. Roos’ hart begint zo hard te bonken alsof het elk moment uit haar borstkas schiet. Haar ongecontroleerde ademhaling wordt zwaarder, steeds als ze inhaleert. Roos heeft een sterk vermoeden dat het ziekenhuisbed waarin ze ligt te maken heeft met dat ze niets meer hoort. Nee, denkt ze. Nee, ik wil dit niet… Ik wil het niet, herhaalt ze in haar hoofd die een bijna ondraaglijke pijn ondergaat. Haar man buigt zich over haar heen. Hij houdt voorzichtig haar schouders beet.
‘Rustig, lieverd. Wat is er aan de hand?’ Roos en haar man kijken elkaar diep in de ogen aan. ‘Probeer eens rustig te ademen…’
‘Papa, waarom doet mama zo?’ Fleur begint ervan te huilen, omdat ze haar zo niet kent. Ze begrijpt niet wat er gebeurt. ‘Papa?!’ Zonder twijfel drukt hij op een rode nood knop, met de gedachte dat er onmiddellijk een zuster moet komen.

 


 

 

Fleur krimpt ineen na het lezen van deze brief. De teller staat inmiddels op vijftig keer; ze krijgt geen genoeg van de handgeschreven woorden van haar moeder. Nog altijd heeft ze het bewaard. Er valt een zoveelste traan op het stukje papier. Snel veegt ze haar gezicht droog en stopt de brief in de kist van haar cello. Mama mag niet zien dat ik heb gehuild, denkt ze. Ze kent haar moeder, die wil absoluut geen medelijden. Dat benadrukt de situatie alleen maar. Het spiegelbeeld van Fleur kijkt terug. Met haar slanke vingers wrijft ze over haar bordeaux satijnen gala jurk en fatsoeneert wat er te fatsoeneren valt. Echoënde voetstappen galmen door de hal. Beau, één van haar violisten, komt aangelopen. Haar klikkende hakschoentjes maken dat bekend. Met haar zilveren ring klopt ze zachtjes op de houten kleedkamerdeur die al openstond.

‘Fleur?’ Beau weet genoeg bij het zien van haar rode ogen en komt haar medelevend tegemoet. ‘Kom je?’ vraagt ze nadat ze haar een knuffel geeft. ‘We moeten bijna op, je moeder zit al klaar.’ Het hart van Fleur maakt een klein sprongetje bij het horen van die woorden. Ze bibbert een beetje. Zijn het de zenuwen?
‘Ja. Ja, ik kom mee.’ En nu maar hopen dat de klamme handen verdwijnen tijdens het spelen.

Roos glimlacht als ze haar dochter het podium op ziet lopen. Wat ziet ze er oogverblindend uit! Althans, denkt ze, blind worden naast het doof zijn lijkt me niet zo verstandig. Na zoveel jaar nog steeds niets veranderd die meid, vindt ze. De eeuwige poppenoogjes van Fleur die glinsteren in het licht, geven haar een vertrouwd en veilig gevoel. Alles wat Roos wil op dit moment. Ruben, haar man, knielt voor haar voeten. Liefdevol houdt hij haar handen vast en legt ze zachtjes op boxen van de stereo-installatie rechts van haar. In gebarentaal legt hij kort iets uit over de presentatie die zo meteen plaatsvindt. Tegelijkertijd spreekt hij in de headset microfoon die hij draagt, zodat de genodigden die ook in de chique zaal van het concertgebouw zitten, mee kunnen luisteren.
‘Mijn liefste,’ vervolgt hij, ‘er valt verder niet veel meer te zeggen dan dat dit je is gegund. Geniet je met me mee?’ Roos geeft een enthousiaste knik en beantwoordt de knuffel van Ruben. Hij geeft een seintje aan de dirigent en doet zijn doorzichtige oordopjes in om zich te beschermen tegen de hoeveelheid decibel. Het miniorkest, bestaande uit vier violisten en Fleur op de cello, begint te spelen. Roos kan haar tranen al niet bedwingen bij de eerste trilling die vrijkomt. Geen moment haalt ze haar handen van de speakers als ze doorheeft dat dit Beethoven is, haar favoriete muziekstuk. Ze herkent het ritme. Een golf van overweldiging overspoelt haar. De brok in haar keel doet pijn en voelt als een steen die ze heeft ingeslikt. Ze vindt dat ze één van weinigen in de wereld is die het treft met zo’n klein clubje mensen als dezen. Een groep geliefden van niet meer dan drie handjes vol, die tijd voor haar vrijmaakt in deze snelle wereld van haast en oppervlakkigheid. Tijd en haast, die vreselijke alleszeggende woorden, vindt Roos. Haar ogen kijken niet weg van haar dochter, die al haar passie in het spel werpt. Dit is de eerste keer dat ze waarneemt hoe haar dochter iets voordraagt. Roos vroeg zich al af waarom ze nooit mee mocht ‘’luisteren’’ als ze aan het oefenen was. Ze snapt het nu. In haar hart lacht en huilt ze tegelijkertijd, niet wetende dat zoiets mogelijk was. Dit moment mag nooit overgaan, besluit ze in zichzelf. Een warme vrouwenhand rust op haar schouder. Zonder dat ze kijkt, weet ze dat het haar moeder is die achter haar zit. Omdat de handen van Roos bezet zijn, is het Ruben die de zoute tranen van haar wangen veegt. Hij houdt de tissue maar bij de hand, want het snikken stopt voorlopig niet. Juist omdat haar man zo attent is, wat dan eigenlijk ook niet meehelpt. Roos is diep geroerd.

‘Mam! Je gelooft het niet…’ jubelt de inmiddels vijfentwintigjarige Fleur, terwijl ze enthousiast uitbeeldt wat ze zegt. ‘Ik heb de baan!’ Roos grijnst van het goede nieuws. Trots staat ze op en ontvangt haar dochter in haar armen. Fleur kijkt naar de handen van haar moeder die terug communiceert:
‘Geweldig, lieverd. Gefeliciteerd!’ Roos bedenkt dat haar ooit zo kleine dochter zich niet aan haar geschreven brief heeft gehouden; ze groeit alsnog te hard. Mag de klok heel even stilstaan misschien?
‘Volgende week heb ik mijn eerste klus bij een bekend nieuwsstation. Wie had dat ooit gedacht? Fleurtje als tolk op den teevee!’ Roos ziet aan haar dochters houding dat ze giechelt. In haar binnenste ervaart ze iets wat voelt als vervulling – zeer aangenaam, dat zeker. Komt het doordat Fleur een baan heeft, of gaat het meer om het inhoudelijke van wat ze gaat doen? Roos vindt dat haar dochter erg begaan is met haar. Dat ze, met alle mogelijkheden die ze binnen het werkveld heeft, indirect voor haar eigen moeder kiest. Iets waar Roos zich enorm gesteund door voelt, zonder dat ze er ook maar om vroeg. Fleur kwam er zelf mee. Mijn lieveling, denkt ze.

 


 

De levensles:

Leef van moment tot moment. Als je constant maar gehaast bent, gaat alles en iedereen aan je voorbij. Vooral in het verkeer. Je komt wel op je bestemming. Je komt wel waar je wil zijn.

Al weet niemand waarom Madelief ineens verdwenen was, ze was er voor een reden. Ze heeft een positieve invloed op Roos gehad. Door haar is Roos vaker vrolijk en levendig, nooit meer zo chagrijnig en negatief als dat ze ooit was.

Nu Roos doof geworden is, is ze zeer dankbaar dat ze al op jonge leeftijd gebarentaal leerde. Liever toen dan veel later. Het contact van de twee vriendinnetjes komt nu goed tot zijn recht.